“Proeven eens.”
Hij houdt de lepel voor. Niet voor mij. Voor haar.
Ze knikt goedkeurend. “Nog wat peper.”
De beslissing was eerder al samen genomen. Welke soep wordt het deze week? Tomaat? Groenten? Pompoen? Er werd gewikt, gewogen, gestemd. Daarna trokken ze samen naar de winkel. Lijstje in de hand. Kar vooruit. Alsof het nooit anders was geweest.
In WZC Kimpenhof werd het geen activiteit.
Het werd een gewoonte.
Twee mannen namen plaats achter de kookpotten. Mannen die hun leven lang graag gekookt hebben. Die weten hoe je ui moet fruiten zonder dat ze verbrandt. Die voelen wanneer het genoeg is.
Ze staan daar niet om geholpen te worden.
Ze staan daar om te doen wat ze kunnen.
’s Avonds delen ze zelf de soep uit. Kom per kom. Met een knikje. Met een grapje. Met een “smakelijk”.
“Dat is van ons, hé,” hoor je iemand zeggen.
En daar gebeurt het.
Niet alleen soep.
Maar betekenis.
Niet alleen samen eten.
Maar voor elkaar zorgen.
Hier worden bewoners niet beziggehouden.
Hier worden ze in hun sterkte gezet.
VergaderGoud zit soms in een dampende kom soep.
In samen beslissen wat er op tafel komt.
In mogen blijven wie je bent.
Mag het wat luider?
Graag. Want verbondenheid smaakt beter wanneer ze zelf geroerd is.
WZC Kimpenhof