Onze Roze Bril zit deze week in een web vol emotie... Onze Roze Bril zit deze week in een web vol emotie...
Ze kwam neergedaald aan een draadje. Af en toe bleef ze hangen alsof ze haar positie tot zich moest laten doordringen. Daarna zakte ze weer wat verder. En na een laatste āneerdaalpauzeā die ze leek te gebruiken om zich mentaal voor te bereiden op haar laatste rechte lijn richting cafetariavloer, daalde ze in ƩƩn vlotte beweging tot aan de begane grond. De overgang van hangen naar kruipen verliep vlekkeloos. Terwijl ze mijn kant opkwam, vroeg ik me af waar haar draad naartoe zou zijn.
Achiel, die naast me zat, strekte zijn ene been uit en hield zijn ogen op iets gericht. āHij heeft het ook gezienā, wist ik toen. De spin op de vloer bevond zich net buiten Achiels beenbereik. Toegegeven, ook ik stond in dubio of ik het beestje al dan niet zou vermorzelen. Er waren echter meer contraās dan proās geweest waardoor ik mijn voeten netjes voor mijn stoel had laten staan.
Om te beginnen zat ik op de eerste rij, vlakbij het altaar. De gebedsdienst in teken van Pasen verliep rustig en de aanwezige bewoners vierden geconcentreerd mee. Maar het was niet de schrik om met het plat trappen van de spin de rust tijdens de viering te verstoren die me ervan weerhield mijn voet op te heffen. Nee. Noem het gerust overdreven maar ik kreeg het gewoon niet over mijn hart. Iets wat ik anders zonder nadenken zou doen, kon ik nu niet. āIedereen teltā, dacht ik aangeslagen.
Ik had me namelijk boos gemaakt toen ik de bewoners van onze beschermde leefgroep naar de polyvalente zaal had begeleid. Dat overkomt me zelden.
De paasviering zou er weldra starten en de cafetaria van ons woonzorgcentrum liep al aardig vol.
Dat ik enkele rolstoelgebonden bewoners installeerde op de derde en laatste rij, doch zodanig gepositioneerd dat ze goed zicht hadden op het altaar, was niet naar de zin geweest van een aantal dames die hadden plaatsgenomen helemaal achteraan in de zaal, buiten de zone die voorbehouden was aan de deelnemers van de paasviering.
Vergezeld van wegwuivende handgebaren hadden ze duidelijk gemaakt dat ādie mensenā aan de zijkant dienden te worden gezet zodat ze niet voor hun zicht zaten. Met tegenzin maar aansturend op een compromis, verplaatste ik de bewoners enkele plaatsen opzij, me er wel nog steeds van vergewissend dat ze goed zicht hadden op het altaar. āNu zitten ze voor mĆjĢn zicht!ā, hoorde ik iemand anders geĆÆrriteerd roepen.
En toen knapte er iets.
Een stem geven aan diegenen wiens stem verdwenen is, dat is wat ik heb gedaan. Ik weet niet exact meer wĆ t ik heb gezegd, maar mijn uithaal bereikte ook de vrijwilligers die vlakbij zaten. Het feit dat ze opkeken, zich omdraaiden of zich recht stelden, doet me vermoeden dat ook zij wat geschrokken waren van mijn reactie.
Na afloop van de viering kreeg Achiel tranen in zijn ogen. āIk zie dat je het moeilijk hebtā, zei ik terwijl ik mijn hand op de zijne legde. We bleven in stilte naast elkaar zitten. Misschien dacht hij aan zijn overleden echtgenote? Of maakte de sfeer van de paasviering hem weemoedig?
Toen de dienst juist was gestart, had ik aan de bewoners die geen boekje hadden gekregen nog een exemplaar bezorgd. Kunnen meevolgen is ƩƩn, het gevoel hebben erbij te horen ondanks beperkingen is twee. Achiel hief zijn hoofd op en zijn gezicht straalde toen ik hem een boekje gaf. Een geĆ«motioneerde ādankuwelā volgde.
Iedereen telt. Iedereen.