Er zijn ochtendmensen en er zijn avondmensen. Laat het duidelijk wezen; ik ben géén ochtendmens.
Wanneer ik opsta, geldt er maar één gouden regel: laat me gewoon gerust. Opstaan om te gaan werken is echter zelden een probleem. Ik doe heel graag wat ik doe want dagelijks mag en kan ik iets betekenen voor een ander. Hoe fijn is het om daar dan ook nog betaald voor te worden?! Mijn motivatie, daar draait het dus niet om.
Er zijn gewoon weinig zaken die mijn ochtendroutine dat positieve extraatje kunnen geven, weinig zaken die me ‘s ochtends in vervoering kunnen brengen.
Maar er is één uitzondering. En dat zijn de pinkers van een vrachtwagen.
Even geleden nam ik enkele studenten verpleging mee op rondleiding doorheen onze beschermde leefgroep. Toen we de kamer van Anaīs passeerden (de dame van de negen levens), werd zij op dat moment door een collega naar buiten gereden in haar zetel. Ze botste bijna letterlijk op mij. Het was even stil. Toen zei ze “Het is niet mogelijk”. Haar ogen schitterden, haar gezicht straalde. “Het is niet mogelijk”, herhaalde ze terwijl ze haar armen uitstrekte, “dat moet gevierd worden!”, riep ze vervolgens blij.
Ik sloot me bij haar enthousiasme aan, ervan uitgaande dat ze in haar beleving, in haar wereld, iemand terugzag die veel voor haar betekende. We omhelsden elkaar, net zoals je dat doet met iemand die je terugziet na een lange periode van gemis. De namiddag van Anaïs was goed ingezet. Even verderop wachtte haar een lekkere kop koffie.
De volgende ochtend reed ik zoals gewoonlijk met de auto naar mijn werk. Onderweg is er een punt waarop twee rijvakken samenkomen en je dus dient te ritsen. Ik weet dat de meeste automobilisten niet staan te springen om daar een slome, grote vrachtwagen voor te laten. Dat traag optrekkende gevaarte rijdt dan namelijk een aantal kilometers lang vóór jou, zonder dat je het voorbij kan.
Maar ik kan je verzekeren, probeer het toch maar eens. Laat de vrachtwagen hoffelijk voor en kijk wat er gebeurt.
Aanvankelijk had ik het niet door, ik wijtte het aan toeval. Maar het werd een patroon. Telkens ik een vrachtwagen voorliet, werd ik bedankt. Een pinker naar links, een pinker naar rechts, nog eentje naar links en nog eentje naar rechts. Een soort knipogende ‘dankjewel’. Iedere werkdag hoop ik nu zó dat ik daar een vrachtwagen kan voorlaten want die bedankende pinkers vullen telkens mijn hart met vreugde. Krijg ik ze eens niét dan ben ik echt teleurgesteld, maar wanneer ze voor mijn neus van links naar rechts pinken, zit ik uitzinnig van vreugde achter mijn stuur. Dat kan ook andere bestuurders niet ontgaan zijn. ‘Wat zit die daar nu achter haar stuur te roepen en te juichen?”, hoor ik hen dan denken. Wel, beste bestuurders, ik heb iets kunnen betekenen voor iemand, iets klein en ik denk dan aan wat Anaïs zo blij riep: “Dat moet gevierd worden”.