© Leen Foubert
Op stap naar de kringwinkel waar nostalgie, herinneringen en plezier voor een prikje te vinden zijn.
“Waar gaan we dát allemaal nog zetten?”, zal mijne man zeggen als ik thuiskom . “Nee, ik koop niks, mijn huis staat al vol”, zei Mia.
Er is echter nog plaats genoeg op haar kamer bij ons in het wzc en haar echtgenoot zal helaas niks meer zeggen, dacht ik stil.
“Ik trakteer”, zei ik haar in een poging haar tóch dat beeldje te gunnen dat ze zo mooi vond. Ik had haar zo graag iets laten uitkiezen. “Je moet voor mij die moeite niet doen”, zei ze zacht. “Laat maar zo.”
Fabienne, een dame van weinig tot geen woorden meer, had intussen een megagrote beer gespot. “Kijk hoe schoon”, verstond ik klaar en duidelijk. Haar gezicht straalde en haar ogen werden vochtig. Dat die beer mee naar huis ging gaan, stond op dat moment al vast.
“Die mensen, zo blij met eenvoudige dingen”, hoorde ik Mia zeggen. Ze keek Fabienne met liefdevolle ogen aan. Die twee hebben wat afgelachen in de kringwinkel. Ongeremd, puur, het hart op de tong én op de juiste plaats. Vrijwilliger Francine en ikzelf deden gewoon mee. Niet denken, alleen maar voelen en beleven. We vielen op. We waren luidruchtig. Steeds meer en meer winkelmedewerkers en klanten lachten mee, beleefden mee, kwamen een praatje slaan en toonden verbondenheid.
De beer ging mee, maar niet zonder hem eerst een pannenkoek mee te laten eten. Fabienne gesticuleerde dat de pralines bij haar koffie voor mij waren. Ik hou niet van chocolade, maar deze met liefde gegeven pralines smaakten heerlijk. Met meneer Beer op Fabiennes schoot reden we terug naar ‘huis’. De sfeer in de auto was uitgelaten. “Ik heb Alzheimer”, zei Mia plots. Door de achteruitkijkspiegel keken Francine en ik elkaar aan. Van de pijnscheut in mijn hart heeft niemand iets gemerkt denk ik. Fabienne gaf haar beer spontaan een kus. En Mia lachte.